REVIEW | Call of Duty: Black Ops 7 biedt spektakel zonder richting
Call of Duty voelt tegenwoordig als een machine die nooit stopt, maar waar steeds meer zand in de tandwielen kruipt. Black Ops 7, de nieuwste poging om de reeks relevant te houden, is op papier opnieuw een gigantisch pakket: een coöperatieve campagne, een vertrouwde uitgebreide multiplayer, een PvE-extractiemode en een nieuwe Zombies-ervaring. Het klinkt alsof Activision alles uit de kast heeft gehaald om de jaargang te redden, maar wanneer je het allemaal samenbrengt, merk je vooral hoe weinig richting er nog in zit. De ambitie om één groot ecosysteem te bouwen is duidelijk, maar het eindresultaat voelt verbrokkeld en vermoeid, alsof het team vooral bezig was met het aanstippen van de juiste vakjes.
De kern van het probleem openbaart zich vrijwel meteen in de campagne. Wat bedoelt lijkt als een mix van nostalgie naar het oude Black Ops-DNA en meer moderne open structuurontwerp, eindigt als een rommelige kruising tussen Warzone, DMZ en een story mode die vergeet zichzelf te rechtvaardigen. Het concept – de zoon van Alex Mason die hallucinaties beleeft door een biowapen genaamd The Cradle – biedt in theorie genoeg ruimte voor bizarre scènes, psychologische ontsporingen en het soort onvoorspelbare narratieve wendingen waar de reeks om bekendstaat. In de praktijk zie je vooral een reeks missies die zich afspelen in Avalon, een enorme open wereld die net zo goed een nieuwe Battle Royale-map had kunnen zijn. De omgevingen missen leven, de vijanden ogen generiek en de hele structuur voelt alsof je al in de pre-productie van een Warzone-update rondloopt in plaats van in een blockbuster-campagne van één van de grootste shooter franchises ter wereld.